HET LAND VAN WAES



Het Land van Waes tot 1600

 

De eerste Hielen treffen we rond 1300 aan in het Land van Waes. Een gebied dat oorspronkelijk bestond uit uitgestrekte stukken moeras en wastines (uitgemoerde veendek), heidevelden, struiken en bos. De noordgrens van het platteland van “Pagus Wasia“ werd tot in de tiende eeuw gevormd door Stekene en Melsele. Daarboven was het gebied aanvankelijk waterland en onbewoonbaar. Dwars door het Land van Waas liep een "heirweg" of heerbaan (een veelal verharde weg waar langs het heer of leger trok) die Antwerpen met Brugge verbond. Het is rond deze weg dat zich in de loop der jaren verschillende dorpen vormden

 

Ontginning: abdij van Boudeloo

 

Tot de tiende eeuw was het Land van Waes vrij dun bevolkt. Pas vanaf het begin van de 12e eeuw komen er meer mensen wonen, wanneer onder impuls van een aantal grote abdijen wordt overgegaan tot grote ontginningen van 'moeren ende wastine'. Deze ontginningen werden voornamelijk uitgevoerd door de in Gent gelegen abdijen van Sint Pieter en Sint Baafs en later ook door de abdij van Boudeloo. Vooral de abdij van Boudeloo heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontginning en exploitatie van grond in het Land van Waes.

 

 

 

Ongeveer zes kilometer ten noorden van de woonkern van Sinaai, in het huidige Klein-Sinaai, vestigde zich omstreeks 1197 de monnikengemeenschap van Boudelo. Op 25 juli 1200 schenkt Graaf van Vlaanderen, Boudewijn IX de nieuwe gemeenschap 30 bunder (ca 40 ha) akkerland te Bodelo, een erbij horende weide en verder een moer, een sluis en een molen in het aangrenzende gehucht Koudenborn. Ook een op 22 juli 1205 door Raas V van Gaver afgebakend domein van omliggende woeste gronden mocht door de kloostergemeenschap vrijelijk ontgonnen worden. Daarenboven wordt een vrijstelling van tienden toegestaan. Mogelijk verbleven de monniken op het moment van de eerste schenking al te Boudelo en werd daar een eerste klein houten klooster gebouwd. Boudeloo groeide rond 1204 uit van een zogenaamde “Kluise“ tot een abdij van omvang.

 

Een belangrijk moment in de vroege geschiedenis van de gemeenschap, was de overgang naar de orde van Citeaux in 1215, een Cisterciënzerorde die zich kenmerkte door soberheid en een integratie van hoofd- en handarbeid, ten einde volledig in eigen behoeften te kunnen voorzien. De monniken verdeelden hun tijd tussen gebed en handenarbeid en ontpopten zich als meesters in het droogleggen van moerassen, het rooien van bossen, het irrigeren, vruchtbaar maken en bebouwen van akkerland. Voor de exploitatie van hun gronden en voor de berging van de opbrengsten, stichtten deze abdijen 'uithoven' met kapel, de zgn. curtis met (tienden) schuur (grangia). Van daaruit werden de moeren door de ondernemende Cisterciënzers en hun lekenbroeders met behulp van pachters en vrije boeren ontgonnen en werden de veengronden afgegraven ten behoeve van brandstof voor de grote Vlaamse steden.

 

 

 

 

Om de abdij meer uitbreidingsmogelijkheden te geven, schonk Johanna, gravin van Vlaanderen en Henegouwen, in 1218 aan Boudelo 20 bunders grond 'om de abdij op te bouwen op de plaats tongert op de Durme'. Deze gronden grensden ten westen bijna zeker aan de schenking van de 30 bunders in 1200, zodat dit domein op dat moment één geheel van ca 66 ha vormde. De abdij van Boudeloo wist in de daaropvolgende jaren haar grond- en tiendbezit sterk uit te breiden. Daarnaast verwierf ze een groot aantal erfelijke rentes die de verkopers op hun eigen land bezaten. Op het einde van de dertiende eeuw werd door de abdij voor meer dan duizend pond gronden gekocht van Gwijde van Damperre. De abdij bezat op gegeven moment vele “bunders moere ende wastine“. De uitbating rond de abdij - de zogenaamde fundatie – omvatte destijds een oppervlakte van ca 1000 ha. Vanaf het begin van de veertiende eeuw werd de eigen domaniale exploitatie volledig vervangen door onrechtstreekse uitbating: eerst vercijnzing, daarna verpachting.

 

De oudste picturale voorstelling van de abdij van Boudelo is terug te vinden op een kaart uit de periode 1560-1576 van de gronden van het bisdom van Gent te Moerbeke.

 

 

 

 

Eerste nederzettingen

 

Het is rondom de uithoven waar de eerste nederzettingen in het Land van Waes zijn ontstaan. Eerst werden de vruchtbaarste (moer)gronden in de buurt van deze nederzettingen in cultuur gebracht voor de landbouw. Namen als Moerbeke en Moervaart duiden daar op.  Maar na verloop van tijd ging men ook over tot het elders in het Land van Waes in cultuur brengen van de onvruchtbare heidegronden.

 

Steeds meer nieuwe nederzettingen werden gesticht. Daardoor groeide de bevolking zodanig dat vanaf de twaalfde eeuw er steeds meer zelfstandige parochies ontstonden. De Castro meldt in zijn Chronyk dat “Waesmunster ten jaere 862 reets in wesen was” en dat “uyt haar meest alle de prochien syn gedeylt, gelyck men sal sien, dat selfs Kemseke tot in 't jaar 1117 onder dese prochie noch is gerekent geweest”. Kemseke was in feite de eerste plaats die zich in dat jaar losmaakte van Waasmunster, waar het jarenlang onderdeel van had uitgemaakt. Net zoals trouwens het overgrootte deel van de nederzettingen in het Land van Waes.

 

Zo schrijft de Castro : “Kemseke dat tot nog toe binnen de paelen van de prochie van Waesmunster was gelegen, is in dit jaer daervan gescheeden door toelatinge van Lambertus Bisschop van Dornik, als wanneer dese plaetse of aenhangsel van Waesmunster, van hem het recht van prochie heeft ontfangen”. Precies een eeuw later in 1217 komen ook Sinay en Sint Niklaas aan de beurt om zelfstandige parochies te worden. Daarna volgen nog in 1230 “De prochie van Exaerde, ....  korts daernae de kerke aldaer soude gebouwt hebben”, en in 1236 “daegs naer den feestdagh van de apostelen Pieter ende Pauwels wiert “er eene scheydinge gedaen tusschen de prochien van Belcele, St Pauwels, St Nicolaes ende Vracen”.

 

  

 

 

Rond 1300, wanneer de eerste Hielen worden vermeld, bestaan dus de meeste van de Middeleeuwse parochies in het gebied van het Land van Waes zoals we die nu nog kennen. Dat kunnen we zien op een uit 1280 stammende kaart van het Waasland ten tijde van Gwijde van Dampiere. Daarop zijn reeds de namen vermeld van plaatsen als Moerbeke, Exaerde, Lokeren, Dackenam, Sinay, Stekene, St. Gillis, Kemseke, St Pauwels en van Boudeloo dat op het grondgebied van Klein Sinaai lag. Samen met de waterlopen zoals Durme (langs Daknam), Moervaart (langs Moerbeke) en Zuidlede (langs Eksaarde), waren dit de polen rondom welke het leven zich afspeelde.

 

 

Agrarische gemeenschappen

 

Het waren destijds overwegend kleine agrarische samenlevingen. De meeste 'gewone' mensen waren boer, werkten als horige (onvrije) op de landgoederen van de heer of van de abdijen, of waren vrije boer met een eigen stukje grond. In zijn Chronyk geeft De Castro een inventarisatie van de diverse plaatsen in het Land van Waes uit het jaar 1408, zoals het aantal boerderijen en haar inwoners, maar ook de hoeveelheid vruchtbare land dat voor de landbouw geschikt was.

 

Het geeft ons het volgende beeld: "Lokeren ende Dacknam, eene vierschare, 't samen 350 hofsteden, 850 communicanten (communitas = gemeenschap, leden van de gemeenschap), begrypende, bovende 650 bunderen heyde die niet geschat en wiert, 2221 bunderen landt; Kemseke, St Pauwels ende Stekene, eene vierschaere, hofsteden op Kemseke 116, communicanten 450, breedt van landen boven 23 bunderen heyde 487 bund; St Pauwels, 111 hofsteden, com. 400 ende 805 bunderen; Stekene 426 hofsteden, com. 1700, en begrypt 785 bunderen met 283 bunderen heyde, de welke t'samen syn geweert op 1800 bunderen; Sinay en Belcele, eene vierschaere, t'samen 371 hofsteden, 1200 comm., en 1963 bunderen, sonder Boudeloo landt begrypende 360 bund; Moerbeke, 450 hofsteden, 1600 comm. en 1554 bunderen; Exaerde, 212 hofsteden, 650 com. En 1000 bunderen".

 

 

 

In totaal tellen we in het Waasland aan het eind van de 15e eeuw meer dan 2000 boerderijen of boerderijtjes, met zo'n 2000 gezinnen en opgeteld bijna 7000 “communicanten“, ofwel leden van de gemeenschap. De hofsteden lagen vaak aan de rand van een zandweg, en waren in de meest gevallen eigendom van de abdijen of van de graaf. Via de diverse leen- en cijnsregisters kunnen we opmaken dat een groot aantal van deze boerderijen al bij naam gekend was in de 13e en 14e eeuw.

 

 

Cyns- en pachtregisters

 

De Hielen waren vrije boeren, wat blijkt uit de nodige documenten. In de volle middeleeuwen bestond er nog altijd het "juridisch" onderscheid tussen vrije boeren en onvrije of horige boeren. Sommige zogenaamde "vrijen" waren er in geslaagd om hun klein grondbezit uit te breiden en verwierven daarmee een zekere welstand.

 

- Cynsregisters

Toch verschilde de sociale positie van de meeste vrije boeren in de praktijk niet veel van die van de horigen, die aan de grond gebonden waren. De onvrije boeren moesten diensten leveren, zgn. “karweien” uitvoeren, op de "reserve" van de heer. Deze diensten konden aanvankelijk soms afgekocht worden door het betalen van een jaarlijkse cijns, een belasting die aan de “heer van de heerlijkheid” moest worden betaald. Geleidelijk aan werden de karweien volledig vervangen door het betalen van een cijns. Door de kerken en kloosters werden daartoe zgn. Hoofdcynsboeken aangelegd. De Hoofdcynsboeken, ook wel “gemick-boeken” genoemd, omdat daarin de familie met hun “micke”(= erfgenamen) werden genoteerd, werden voor het eerst opgemaakt van 1295 tot 1330. Vervolgens van 1462 tot 1475, daarna van 1557 tot 1796.

 

Deze cijnsregisters vormen, naast de Leenboeken en Renteregisters, een belangrijke bron van informatie. Hierin werden namelijk de zgn. “vrije mensen” met hun nakomelingen genoteerd. Door de opname in deze cynsboeken kon een vrij man bewijzen dat hij vrij was. Het tot vrij man worden leverde een aantal voordelen op. Dit in tegenstelling tot de groep van horigen.Zo moest bij overlijden niet “het beste hooft ofte catheil' van de nalatenschap door de erfgenamen aan de Heer worden afgedragen. Het bracht echter ook bepaalde verplichtingen met zich mee.

 

Er werd als het ware een contract gesloten tussen de vrije en de kerk of het klooster. Per hoofd (man, vrouw en kinderen) moest per jaar 2 deniers parisis worden betaald (&2.4 miten Vlaams). Bij huwelijk van een van de kinderen moest 6 deniers worden afgedragen. Terwijl bij overlijden van een ingeschrevene 12 deniers moest worden opgebracht. In ruil daarvoor verzekerde de abdij de cijnsplichtige, maar ook aan zijn afstammelingen, het vrije genot van de cijnsgronden. Elk jaar werden deze bedragen geïnd door een door de kerk of klooster aangestelde ontvanger. Deze noteerde tevens de mutaties in het Hoofdcynsboek. Hierdoor ontstonden gehele familieoverzichten die zich soms uitstrekten over een periode van 400 jaar.

 

De verplichting tot betaling van de hoofdcyns en daardoor opname in de familielijst, werd overgeërfd via de vrouwelijke lijn, in overeenstemming met het beginsel dat alleen zij, die “uit vryen schoot zijn geboren”, vrij zijn. “En zo beginnend volgens moederlijk geslacht met alle verwantschap uit dezelfde moederlijke stam ontspruitend, blijven al deze volgen het nakomelingschap der vrouw deel uitmaken van de hoofdcyns, terwijl hij eindigt of ophoudt bij de mannelijke telge”. Dit instituut van de cynsboeken kon zich grotendeels handhaven tot het einde van de 18e eeuw.

 

 

- Pachtregisters

Een andere belangrijke informatiebron vormen de pachtregisters. Vanaf de XIIIe eeuw verschijnt er naast het leenstelsel een nieuwe vorm van domeinexploitatie: de pacht. Zowel de graaf en de edelen als de abdij van Boudeloo ging er toe over de stukken grond plus hoeve aan de boeren in het Waasland te verhuren. Ook aan verschillende Hielen, die daarvoor pacht eerst in natura, maar later hoofdzakelijk in geld betaalden. De ontvanger van de abdij hield een of twee maal per jaar zitdagen voor de inning van de pacht. Daartoe werden door de leenheer of door de abdijen zgn. Pachtregisters bijgehouden. Dankzij de pachtregisters die zijn bewaard gebleven kunnen we een goede indruk krijgen van die periode. De pachtboeken- en registers bevatten namelijk belangrijke gegegevens over de wijze waarop Boudeloo haar uitgebreid grond- en tiende bezit te gelde heeft gemaakt.

 

De pacht werd voor “11 sch.gr.vb. per jaar zuiver gelt ende alle extra ordinaire geschoiten afslach“ voor de termijn van zes jaar of meer afgesloten. De pachtprijs varieerde van 20 tot 26 sch.gr per gemet. Meest voorkomende pachtvoorwaarde voor het akkerland was de zogenaamde 'Helftwinning'. Dat hield in dat de (erf)pachter de ene helft van de vruchten mocht houden, maar de andere helft aan de abdij moest afstaan. De boer moest ook de vruchten naar de abdij voeren, zonder kosten van deze laatste. Het dorsen en wannen geschiedde in de abdij zelf. Daarnaast betaalden pachters bijvoorbeeld: penningen van 23 sch. 3 den. ob.par (= 23.3 gro); aantal hennen, kapuinen (= kapoenen); haardschouw; wagendiensten met een 'mestbreedere' (= persoon die mest openspreid); recht tot 'cronweiden' of 'corweiden'(= recht de latere herendiensten te doen verrichten, in zekere weken te doen uitvoeren, waaraan deze zich niet mochten onttrekken); halsterrogge en halster evere

 

Natuurlijk moeten ook deze pachtregisters met de nodige voorzichtigheid worden gebruikt. Probleem is namelijk dat ze vaak onnauwkeurig en “vervuild“ zijn. Een nieuw aangelegd pachtregister bleef meestal vele jaren lang in gebruik. In de praktijk betekende het dat elke verandering werd bijgeschreven en wat verouderd was werd doorgehaald. Vooral in het geval pachtgrond werd opgesplitst, kon dat grote verwarring opleveren.

 

 

Meiseniers

Een ook voor ons belangrijke bron van informatie, zeker in een periode waarin de parochieregisters nog niet bestonden, of minder gedetailleerd waren, zijn de zogenaamde meiseniersbrieven. Zo omvat de Schepengriffie van Buggenhout-Grimbergen een aantal duizenden van deze meiseniersbrieven.

 

Volgens de overlevering waren meiseniers meestal “ghegoede lieden“ uit de plattelandsdorpen. Oorspronkelijk was het een "in Brabant maatschappelijk bevoorrechte stand van lanslieden", welke door de Hertog van Brabant als een soort kaste werd gezien. Deze Hertog riep het juridisch statuut van meisenierschap in de 13e eeuw in het leven en verleende daarbij de bemiddelde stand van vrije mensen en pachters het “privilegie van meisenier”. In ruil daarvoor leverde de begunstigde materiaal en mensen als de Hertog zijn manschappen beter wilde uitrusten.

 

Het meisenierschap betekende voor de Hielen dat ze ondermeer bezitters waren van hofsteden. Maar ook dat ze mede door hun meisenierschap (zowel langs vader- als moederszijde) een aantal voorrechten en vrijheden hadden. Waaronder die van "karwijen", het huwelijksgeld (als afkoop voor een huwelijk), de eigen dominiale verplichtingen, het "Dodehands geld" (in ruil voor het recht om bezittingen te erven) of het "Beste Kateil". Aan deze erfelijke voorrechten werd tot in de 16e eeuw groot belang gehecht. In de loop van de eeuwen verzwakte echter het meiseniersstatuut. Toch kwam men generatie op generatie nog tot het einde van het “Ancien Regime“ naar de Schepenbank van Buggenhout-Grimbergen.

 

 

Rampspoed

 

Het Land van Waes en haar bevolking is in de late Middeleeuwen niet gespaard gebleven. De streek werd regelmatig getroffen door verschillende rampen zoals stormvloeden, (pest)epidemieën als de 'swarte pest of 'haestige sieckte'  (1348/1355, 1438-39 en 1448) en mislukte oogsten (bijv. in 1316/1317 en 1414/1415). Het gevolg was vaak grote hongersnood, die onverbiddelijk kon toeslaan zoals in 1438-39. Maar ook diverse oorlogen teisterden het gebied en eisten de nodige slachtoffers onder de boerenbevolking.

 

- Overstromingen, de pest en mislukte oogsten

Volgens de Chronyk van De Castro waren de jaren 1314 t/m 1320 een aaneenschakeling van tegenslagen voor de boeren in het Waasland. Overstromingen en misoogsten zorgden ervoor dat de prijzen van landbouwproducten enorm stegen en mensen van de honger omkwamen. In 1314 was het al goed raak: “In dit jaer was het water soo groot, dat alle vruchten bedierven, waerna een groote dierte is entstaan”. “Ontrent desen tydt (1315) was de dierte soo groot datter veel menschen van honger stierven”.

 

Ook het daaropvolgende jaar was het nog niet afgelopen. “Het gebrek van alle levensmiddelen dewelcke uyt den langdurigen regen van den voorgaenden jaere volgde, was in dit jaer (1316) soo hoogh, dat men in alle oude overleveringen van schryvers noyt dergelyks en heeft gesien ofte gevonden. Een mudde tarwe wierd binnen Gend verkogt een marck gouts weerd synde 48 guldens, elken gulde tot 24 grooten 't stuck die men hiet pytslaghe. Ende achter die groote armoede volghde de peste, dewelcke niemant in hondert mylen in de ronde, by naer en spaerde, soo dat den derden menschen wel stierf”. “In dit jaer (1318) was er een plage onder de koeyen en beesten”. Bovendien had het Land van Waes in 1320 te lijden onder de grote waterramp die de Vier Ambachten destijds trof.  "In dit jaer syn de vier Ambachten seer beschaedight door de grooten watervliet, alwaer veel menschen en beesten verdronken”.

 

- Strijdgewoel en Weerbare mannen

Daarnaast was het Land van Waes regelmatig het toneel van verschillende (politieke) oorlogen. De diverse Gentse opstanden (1379-1385, 1451-1454 en 1487-1491), brachten veel schade en ongemak toe aan de boeren in de streek. Tijdens deze periodes werd het Land van Waas verschillende keren geplunderd. Dat ging vaak gepaard met het in brand steken van de boerderijen en het vernietigen of opeisen van de oogsten. De inwoners moesten vaak aanzienlijke sommen geld betalen als brandschatting. Ten tijde van deze oorlogen of opstanden tegen de graaf van Vlaanderen moesten de mannelijke inwoners van het Land van Waes die daartoe in staat waren bovendien aan de krijgstocht deelnemen, “op straffe van boete” bij een eventuele weigering.

 

Of zij werden gevorderd om militaire versterkingen aan te leggen. De (burg)graaf riep dan de dienstplichtige inwoners ofwel “Weerbare mannen” op. Deze verplichting stamt trouwens uit de tijd dat de horigen vrij man werden. Een van de voorwaarden die daaraan was verbonden was dat de mannelijke afstammelingen zich beschikbaar moesten stellen voor de krijgsdienst van de heer en zijn opvolgers.

 

 

Schepenbanken/Vierschaar    

 

In de diverse akten worden verschillende Hielen vermeld als schepen. Zij waren lid van een zogenaamde Schepenbank, een oorspronkelijk door de Schout voorgezeten grafelijke rechtbank. In de loop van de 12e eeuw verkregen zij zowel bestuurlijke als administratieve bevoegdheden. Samen met de schout vormden zij als het ware het dorpsbestuur en vertegenwoordigden de gemeente. Ieder jaar op Sint Jansdag (29 augustus), ten laatste binnen de acht dagen etc. werden de schepenen, gewoonlijk 7 in totaal, gekozen. Zij kwamen veelal uit het “ghoede deel resp. de notabelen van de prochie”. Naast het dagelijkse bestuur vaardigden zij eveneens verordeningen uit en spraken recht.Hun besluiten die voornamelijk betrekking hadden op de verkoop van goederen en de opname van rentes e.d. werden vastgelegd in zogenaamde Schepenregisters. Het ambtsgebied van de verschillende Schepenbanken was afgebakend, en werd hoofdzakelijk door geulen, riviertjes en wegen gevormd. Waar geen waterlopen waren of straten voorhanden waren, bepaalde de parochiegrenzen van de oude kerk de ambachtsgrens.