HOFSTEDE SPITSBROEK



De geschiedenis van hofstede spitsbroek

 

Vlakbij de Biezen, ingeklemd tussen het Belgische Sint Laureins, St. Kruis, Eede en Aardenburg ligt hoeve Spitsbroek. Laatstelijk beboerd door Ronald Dikker die het in 1991 had overgenomen van zijn schoonvader Jozef Hiel. In het westen is Spitsbroek begrensd door de Groeneweg, in het oosten door de Spitsbroek- of Valeiskreek, in het zuiden door de Eeklose Watergang en aan het einde van een lange laan in het noorden aan de Langeweg (tegenwoordig Spitsbroekweg). Hoewel de huidige boerderij weinig doet vermoeden, ligt op deze locatie de resten van de Middeleeuwse uithof Pulsbroeck van Ter Doest en resten van de zeventiende-eeuwse Spitsbroekschans. Ook zijn er nog fundamenten aanwezig van de grote tiendschuur die daar had gestaan en al geruime tijd geleden is afgebroken. Bij het ploegen en bewerken van het land worden nog regelmatig zaken gevonden die een stukje van de oude geschiedenis doen herleven. Het gebied wordt beschermd door het bestemmingsplan Buitengebied Sluis-Aardenburg.

 

 

Van Pulsbrouc naar Spitsbroek

De geschiedenis van hoeve Spitsbroek gaat zeer ver terug in de tijd. De oorsprong ligt al in de 13e eeuw toen het gebied nog grotendeels moeras was.

 

In 1276 wordt in een charter van de abdij van Ter Doest (onderdeel van Ter Duinen in Koksijde) voor het eerst melding gemaakt van Pulsbroec. “In Ardenburch, '¦.. in die jeghenode, gheheeten Pulsbrouc” (Chart. 1396). Andere vermeldingen zijn onder meer “van den husen te pulsbroucke” (Aardb. en Cadz. 1412), “gheboren van pulsebrouc” (Poorterie Brug. 1425) en “up .j. ymete lants te pulsbroucke”(s.d. XVe eeuw B.M. Ard.)

 

Daarnaast zijn er ook diverse personen die deze naam dragen, zoals:               

“Jan van Pulsenbrouch”(te.d.Brug 1302)                                

“Hannekin van pulsebrouc”(Verburde goed. 1303)                            

“Willem van Pulsbrouck”(census 1514).                                                           

 

Voorts wordt de plaats Spillebroeck in 1591 vermeld in de oudst aanwezige rekening van Aardenburg en “is meer dan waarschijnlijk hetzelfde als het later enigszins zuidelijk gestichte Spitsbroe(c)k”.

 

 

Het begin van Pulsbrouc

Tegen het einde van de 12 eeuw vestigden zich monniken van Ter Doest (Cisterciënsers) in het gebied der moeren van West Zeeuws Vlaanderen. In het zuidoosten van Rodenburg (het huidige Aardenburg) stichtten zij de uithof Pulsbroeck. Vanuit deze zgn. curtem vond de ontginning van het toen nog onbewoonde moer plaats. Deze abdij Ter Doest was destijds opgericht als een filiaal van de abdij Ter Duynen (Koksijde). 

 

 

 

 

 

De woeste gronden, ook wel woestines genaamd, waren eigendom van de graven van Vlaanderen die grote stukken in leen uitgaven, aan abdijen schonken, of, zoals in de 13e eeuw, deze grond ook verkochten met het vooropgestelde doel, dat het ook zou worden ontgonnen.

 

In het jaar 1188 schonk graaf Philips van de Elzas hen “in ill solitudine integri moor” 60 gemeten grond tussen Wolfshil (onbekend) en Sconevelth (lag bij het latere St. Kruis) om er turf te graven, en tevens een strook grond ter breedte van 10 roeden, om er een weg en een watergang aan te leggen.

 

De watergang, waardoor het moerassige gebied voortaan gedraineerd werd, was vrijwel zeker de zo-nw lopende Moerwatergang (zie topografische kaart), die vanaf de 13e eeuw Oude Eeclose Watergank of Pulsbroeckse Watergank wordt genoemd.

 

In 1218 stond gravin Johanna aan Ter Doest één bunder woeste grond af '˜juxta Roddenborg”, waar de monniken op een hoger gelegen terrein huizen konden bouwen. Uit gegevens valt af te leiden, dat deze grond ten oosten  van Aardenburg lag. Dit terrein is waarschijnlijk het huidige St. Kruis dat op een hogere rug (aeolische vorming) lag, die in de richting over Aardenburg liep in de omgeving van de hof Pulsbroek. Het is zeer aannemelijk dat met deze huizen, de grondslag werd gelegd voor de nederzetting St. Kruis waar de hospiten die de abdij in dienst had, zich konden vestigen op geringe afstand van de hof Pulsbroeck.

 

Het volgende jaar, 1219, schonk de gravin 300 gemeten in het moer van Rodenburg aan Ter Doest. Dit gebied lag ten zuiden en zuidoosten van de stad en strekte zich uit tot aan het “altum moor” (oude moer) in het zuiden, tot aan de woning van Dirkin van Heile in het westen en tot aan de Monnikenweg in het oosten. Zij stond aan de monniken toe, deze moergrond vrij (van cijns) als veeweide te gebruiken en er wegen aan te leggen. Het omschreven terrein lag zonder twijfel bij Pulsbroek.

 

In 1220 verklaarde de baljuw, dat hij in opdracht van de gravin 111 bunder woeste grond “in antiquo moer” zo van Aardenburg ten behoeve van de abdij Ter Doest had laten opmeten. Dit had betrekking op de 300 gemeten die gravin Johanna in 1219 aan de abdij had afgestaan “in perpetuum possidenda ex excolenda”. De bedoeling was dat de woeste grond zou worden ontgonnen, turf werd gegraven, bussen gecultiveerd en “wastine” in bouwland omgezet.

 

Het latere vervoer van afgegraven turf vanuit het moer richting Rodenburg geschiedde met schuiten via onder meer de Moerwatergang en de Lieve.

 

Zo verwierf Ter Doest door schenking en door aankoop zeer veel grond ten zuidoosten van Aardenburg. Volgens de omlopers bezat Ter Doest in de 16e eeuw een vrij aaneengesloten grondgebied van ca. 600 gemeten ten noorden van de Eeklose of Pulsbroecse Watergang (monde uit nabij Pulsbroek).

 

 

Ontginningen vanuit Curtum Pulsbrouc

Ter Doest liet het ontginningswerk uitvoeren door hospites, die zich in de omgeving van Pulsbroek vestigden, vermoedelijk te St. Kruis. Zij waren aan de abdij cijnsplichtig, maar wanneer zij de verschuldigde cijns niet wilden (of konden) betalen stond de gravin Johanna aan de monniken toe (1230), een beroep te doen op de grafelijkheid, daar de hospites onder het grafelijke rechtsgezag vielen. Hetzelfde gold ook voor de hospites in verband met 22 bunder moergrond, die Ter Doest in 1232 nog van gravin Johanna kocht binnen de in 1219 aangegeven grenzen. De gravin verkocht in 1250 aan de abdij Ter Doest 10 bunder bij Pulsbroek voor de som van 120lb.Vl. In 1255 liet zij op grote schaal moergrond verkopen tegen een prijs van 30 Lb.Vl per bunder. Het grondgebied van Ter Doest, dat tot de hof Pulsbroek behoorde, besloeg in 1276 ongeveer 300 bunder, waarvan 257 bunder vrij van cijns was, 44 bunder echter belast met 9 den. per bunder “ad brevia de Rodenburg”.

 

 

Andere grondschenkingen

De gezusters Maria en Elisabeth van Heile schonken in 1296 verschillende partijen land en enige renten aan de abdij Ter Doest. Dit land lag ten oosten van Pulsbroeck en was gedeeltelijk begroeid met bos. Het grensde in het noorden aan de Moerwatergang en aan '˜die busch van den hove van Pulsebroec”, in het zuiden aan de “landwaterghanc”.

 

Twee jaar later, in 1298, schonken zij aan Ter Doest nog meer grond ten oosten van Pulsbroek, o.a. grenzend aan een stuk bos dat aan de stad Aardenburg behoorde. De beide vermogende begijnen droegen in 1300 nogmaals enige stukken aan ter Doest over '˜juxta silvem de Pulsebrouck”, in de parochie St. Kruis. Dit is trouwens een van de eerste vermeldingen van St. Kruis als zelfstandige parochie. In het jaar 1244, toen de nieuwe grenzen werden bepaald, werd het nog niet als zodanig genoemd. Daaruit mag men wel concluderen, dat hier nog slechts  een nederzetting was.

 

 

Spillebroeck of Spielsbroek

Omstreeks 1300 was de turfexploitatie in de moeren ten oosten van Aardenburg, rondom de hof Pulsbroek, grotendeels afgelopen. De voormalige woestines werden (geleidelijk aan) omgezet in bouwland. Tal van charters betreffende grondoverdrachten en hypothecaire renten in dit gebied, bevestigen dat er in de 14e eeuw overwegend akker en weiland was. Er ontstonden honderden grote en kleinere hoeven die zich toelegden op de teelt van granen, vlas, meekrap, fruit, en het fokken van schapen, runderen en paarden. De grote hoven zoals de hof Pulsbroek ontwikkelden zich tot kleine woongemeenschappen. Daar vond men, naast het gezin van de boer, paardenknechten, staljongens, meiden en een schaper. De gehuwde landarbeiders woonden vaak in een eigen woonst, vlakbij de boerderij. Zo treffen we vermeldingen aan van onder meer “van den husen te pulsbroucke”

 

Vanaf de zestiende eeuw vindt er een verandering plaats in de naam van Pulsbroek. Nog voor de grote inundatie van 1583, toen Sluis op een drietal plaatsen de zeedijk doorstak om zich te beschermen tegen de Nederlandse vloot, wordt melding gemaakt van Spillebroeck of Spielsbroeck. Dit wordt omschreven als een gehucht met klooster van de abdij van Duinen afhangende, 500 roeden west van St. Laureins ten Blokke en met dat dorp verwoest. Oftwel een kloosterboerderij bij Sint Laureins en Aardenburg (vermeld in 1591). “Auprès de la ville d'Aerdenbourg une quantité des terres nommés le bien de Spilbroeck” (1645).

 

In een beschrijving van 1679 lezen we: “Spielsbroeck was voor d'innondatie een clooster deel van de abdie van den Dune, waer an zy hadden betals 600 G.lants; gestaan hebbende omtrent 500 roeden west van St. Laureijns ten block; is oock gebroken, gedestrueert ende het lant vercocht omtrent ao 1650”.

 

 

 

Bovendien wordt nog vermeld de “Spillebroucks Meulen”, een molen die vlakbij de Belgische grens, te St. Kruis heeft gestaan. Op de Carte Pourbus (1562) staat deze vermeld als “Spillebroux Meulen”, en op een kaart uit 1649 als “Spillebroucks Meulen”.

 

 

Spitsbroe(c)kschans

In de 17e eeuw spreekt men ook nog over de Spitsbroeckschans (nog in 1604).  “Spitsbroeck was in de 80-jarige oorlog een voormalige fortificatie (schans) in Staats Vlaanderen, dat, op verschillende kaarten, tijdens het 12-jarig Bestand gemaakt, op ongeveer 20 minuten ten zo van Aardenburg, aan de Eecloosche Watergang, gevonden wordt en van dezelfde grootte schijnt geweest te zijn als de Oliepot ten nw”. Prins Maurits liet in die tijd talloze versterkingen bouwen. Naast de grote vestingwallen rondom de stadjes zoals  Aardenburg en Sluis, werden de forten gebouwd op strategische punten van waaruit men de waterwegen en de kreken kon beheersen. Daarom werden er ook in het toenmalige buitendijkse gebied forten aangelegd. Het fort Spitsbroeck werd in het jaar 1604 in opdracht van prins Maurits ten z.o. van Aardenburg aangelegd.

Zo ontstond er een hele keten van kleinere versterkingen als schansen, forten, redoutes en waterlinies tussen de stadjes.

 

 

 

Gezamenlijk worden zij de Staats-Spaanse linies genoemd. Spaans, omdat met de aanleg van vele van deze verdedigingswerken reeds in de Spaanse tijd (vóór 1604) begonnen is. Staats, omdat ze in de Staatse tijd (na 1604) uitgebouwd en geregeld gemoderniseerd zijn. Dat geld trouwens ook voor de Spitsbroe(c)schans. Vanuit het fort beheerste men zowel de route naar Eeklo en St. Laureins als de Eeklose-Watergang. Na de Franse tijd (1789-1814) verloren de meeste van de versterkingen vanwege de veranderde aard van de oorlogvoering hun militaire nut, raakten in verval of werden ontmanteld. Het fort Spitsbroeck staat onder meer op een kaart van Sanderus uit 1641.

 

 

 

Hofstede Spitsbroe(c)k

Het hiervoor genoemde Spillebroeck of Spielsbroek is meer dan waarschijnlijk hetzelfde als het later enigszins zuidelijke gestichte Spitsbroeck dat nu nog altijd bekend staat als het Hof Spitsbroek. Het had waarschijnlijk “zijn naam naar de hofstede (uithof) en heerlijkheid van die naam, gedeeltelijk liggend in de gemeente St. Kruis”. Vroeger waren aan dit goed nog heerlijke rechten verbonden. Maar deze waren in 1794 al lang vervallen. OP de plaats van het oude foirt Spitsbroeck werd een nieuwe boerderij Het Spitsbroek gebouwd.

 

 

 

Spitsbroek wordt omschreven als “een hofstede onder St. Kruis, nabij Aerdenburgh, gelegen in de Biezenstraat. Gelegen ten n aan de Langeweg, ten o aan de Vleisch- (of Valeys)kreek, ten z aan de Doopersdijk en te w aan de Groeneweg”. Het wordt voorts omschreven als zijnde “groot 95 bunder, 49 v.r. 27 v.ell”. De Eecloosche Watergang loop er door.

 

 

 

 

 

“De gebouwen, thans ene aanzienlijke boerderij, staan op St. Kruis. Van daar lopen n en w aanzienlijke lanen en z aan enen kronkelende landweg, met eene brug over gemelde watergang”. Volgens overlevering zou er op Spitsbroek een grote tiendschuur hebben gestaan naar voorbeeld van de schuur van Ter Doest, welke diende om de oogsten te kunnen opslaan. Om een idee te krijgen is een plaatje van deze schuur toegevoegd.

 

 

Eigenaars

In 1791 wordt vermeld Jan Jacob Bogaerd.

Daarna behoort de hofstede in eigendom aan de heer Johan Andries Blankert te Sluis.

Voorts wordt vermeld André Hoste (St. Kruis 1855 '“ St. Laureins 1924) als landbouwer op de Spitsbroek te Sint Kruis. Hij was gehuwd met Louisa Maria Buijck.

In 1919 werd het gekocht door Petrus Judocus Hiel uit Ossensisse (Snis), voor zijn zoon Emiel Hiel.

Vanaf 1951 wordt hij opgevolgd door zoon Jozef Hiel.

In 1991 neemt Ronald Dikker getrouwd met Nicole Hiel het boerenstokje over.