HIELEN IN BATSCHKA: DONAU SCHWABEN



Hielen en de Donau Schwaben

 

In Duitsland en Oostenrijk, maar ook in de VS treffen we een groot aantal Hielen aan. Bij nader onderzoek blijken er heel wat uit de Batschka regio te komen, een gebied dat tegenwoordig tot Servië wordt gerekend. Zij werden ook wel Donau Schwaben genoemd.

 

Het was ene Peter Hiel, die rond 1770 met zijn gezin vanuit Elzas Lotharingen naar het Donau gebied was getrokken. Hij was een van de vele kolonisten uit de Zuid West Duitse gebieden die in het kader van de herbevolkingspolitiek van de Habsburgse keizers gelokt werden door de omvangrijke fiscale en wettelijke voordelen.

 

 

I. Enige historie vooraf

 

De geschiedenis van de zgn. Donau Schwaben begint eind 17e eeuw toen hele gebieden in Zuid Oost Europa, die eeuwenlang door de Turken waren bezet, door de Habsburgers werden heroverd.

 

In 1699, bij de Vrede van Karlowitz, kwam de Batschka regio met heel Hongarije (maar uitgezonderd Banat) en Siebenburgen (Transsylvanië) bij het Oostenrijkse rijk. Pas in 1716 toen Banat van de Turken werd bevrijd, werd ook dit gebied toegevoegd aan het Habsburgse rijk.

 

  • Duitse emigratie

Deze op de Turken heroverde gebieden waren aan het begin van de 18e eeuw, met uitzondering van een aantal kleine groepen van oorspronkelijke bewoners, goeddeels ontvolkt. In sommige dorpen was de bevolking zelfs helemaal verdwenen.

 

De Habsburgse keizer Karel VI, keizerin Maria Theresia en keizer Joseph II namen al snel de herbevolking van dit gebied ter hand en startten met een systematische en extensieve kolonisatie campagne.

 

 

 

 

Tussen 1718 en 1787 stimuleerde de Habsburgse monarchie de emigratie van haar Duitse onderdanen naar Zuid Hongarije, Batschka, Banat en Siebenburgen.

 

Het doel van Wenen was door kolonisatie via een massale volksverhuizing dit gebied te versterken en te beschermen tegen verdere Turkse invasies, het weer in ontwikkeling brengen van de verwaarloosde landbouwgrond en het bevorderen van het Rooms Katholieke geloof in Zuid Oost Europa.

 

De emigratie werd gestimuleerd door de kolonisten een groot aantal bijzondere voordelen te verlenen. Hoofdzakelijk Katholieke families uit de Zuidwestelijke Duitse deelstaten werden voordelen in het vooruitzicht gesteld zoals vrije landbouwgrond, een eigen woning, hout voor het bouwen van woningen, vee en gedurende verscheidene jaren vrijgesteld zijn van het betalen van belastingen.

 

 

  • Op weg naar de nieuwe gebieden

De Duitse kolonisten starten hun tocht naar hun nieuwe “Vaderland” ondermeer vanuit steden als Günzburg en Regensburg, waar ze met houten schepen de Donau afvoerden. Ze waren voornamelijk afkomstig uit regio's als Baden Würtemberg, Elzas Lotharingen, Rijnland, Westfalen, Beieren en Schwaben. Het voornaamste verzamelpunt voor de kolonisten was echter de stad Ulm. Van daaruit werden de emigranten ingescheept in wat in de volksmond “Ulmer Schachtel” werd genoemd.

 

 

 

 

Daarnaast werd ook gebruik gemaakt van “Kelheimer Plätten”, een soort platbodems. Van Ulm uit begon de reis op de Donau met als bestemming Tolna(u), een reis van meer dan 2500 km die zo'n 15 dagen duurde. Eerste halteplaats was Wenen, waar de emigranten werden geregistreerd voor hun nieuwe vaderland, alvorens verder richting Hongarije te varen. Na aankomst in de haven van Tolnau werden de nieuwe kolonisten vaak door zgn. “wervers” gestrikt om in andere dorpen te wonen dan oorspronkelijk was afgesproken. Hen werd namelijk betere vestigingsvoorwaarden afgesproken. Meer dan 14 duizend emigranten maakten op deze wijze de reis.

 

  • Het nieuwe vaderland

De Donau Schwaben, zoals deze emigranten werden genoemd, hoewel er slechts weinig echte “Schwaben” onder waren, trokken in grote getale naar de Batschka regio, Banat en Siebenburgen (zie kaartje). De meeste Hielen die we hebben gevonden woonden in het Batschkagebied, dat ingeklemd ligt tussen de Donau (W en Z), de Teisch (O) en Hongarije (N). Banat is rechts daarvan gelegen. Hoewel Batschka eerder dan Banat op de Turken werd veroverd, begon de Duitse kolonisatie  van dit gebied pas veel later nl. vanaf 1730 en duurde tot 1885.

 

 

Gedurende de emigratie die zo'n eeuw lang duurde, vestigden zich in deze gebieden in een aantal grote en kleinere emigratiegolven boeren en handarbeiders uit het ZW van het Habsburgse Rijk. Men schat het totale aantal emigranten op zo'n 150 duizend.     

 

  • Emigratiegolven

De emigratie vond in verschillende golven plaats. Daarvan waren er drie grote tussen 1718 en 1787:

a. kolonisatiegolf onder keizer Karel VI: 1718 - 1737

b. kolonisatiegolf onder Maria Theresia: 1744 '“ 1772

c. kolonisatiegolf onder Keizer Joseph II: 1782 '“ 1787

 

 

 ad a. 1e emigratiegolf: 1718-1737

 

Hoewel voordien al Duitse gezinnen in de Batscha regio woonden (ondermeer in Futok), vond de echte kolonisatie in dit gebied pas vanaf de jaren twintig van de 18e eeuw plaats. Tussen 1723 en 1726 vestigden zich zo'n 10 à  20 duizend Duitse en andere kolonisten in deze regio's, hoofzakelijk op verwaarloosde braakland. Zij introduceerden daar met name de rijst en zijde cultuur. In het jaar 1729 werd het dorp Tschalatin, ten zuiden van Baja, gesticht. De nieuwe oorlog tegen de Turken (1737-1739) zorgde echter weer voor een grote stagnatie.

 

ad b. 2e emigratiegolf: 1744-1772

 

De 2e emigratiegolf vond plaats onder keizerin Maria Theresia. Alles stond nu in het teken van de verdere groei van de bevolking, verbetering van de landbouw en stimulering van de handel. Naast boeren kwamen er daarom ook in toenemende mate andere beroepsgroepen naar deze regio. De voorwaarde om als kolonist te worden geaccepteerd was dat men over minimaal 500 florijn moest beschikken, van goede doen, was getrouwd en afstammend uit katholieke families. Deze meer intensieve kolonisatie vond met name plaats in Batschka, waar vanaf 1748 grote Domeinen de zgn. Cameral werden gecreëerd.

 

 

 

In deze periode werden nog slechts nieuwe dorpen gesticht voor Duitse kolonisten. Het surplus aan bewoners uit de bestaande Duitse dorpen werd daarbij aangevuld met nieuwe emigranten. De locatie van de nieuwe dorpen lag iets meer in het centrum van Batschka, maar nog altijd in de laagvlaktes in het Zuiden en Westen van de regio. Zo ontstond onder meer het puur Duitse dorp Priglewitz.

 

Achtereenvolgens werden de volgende dorpen gesticht: Bukin aan de Donau in 1749. Een jaar later ontstond het dorp Apatin. Vanwege haar uitstekende geografische ligging werd het de belangrijkste basis voor nieuw aangekomen groepen kolonisten. Het dorp groeide zeer snel. Tegen 1768 hadden zich in totaal meer dan 600 Duitse emigranten gevestigd in Apatin, waaronder ook Hielen. In 1756 werd opdracht gegeven voor de stichting van Hodschag, gelegen tussen Apatin en Palanka. Daarna volgden dorpen als Filipowa (1762/1763), Gakowa (1764), Kernei (1765), Kraschiwl (1762), Sentiwan (1763), Neu Palanka en Neu Futok.

 

In de periode 1763-1771 emigreerden in totaal 2170 families uit het Duitse Rijk naar de Batschkaregio. Ongeveer 15% hiervan, waaronder de Hielen, kwam uit Lotharingen.Het was evenwel slechts een kwart van de emigratie naar Banat die gelijktijdig plaatsvond. Daarnaast kwamen tussen 1768 en 1770 nog eens 362 gezinnen op eigen kosten naar dit gebied. 

  

ad c. 3e emigratiegolf onder Keizer Joseph II: 1782-1787

 

Vanaf 1784 werden de kolonisatie inspanningen met name op de “Cameral” Domeinen in de Batschka regio onder Keizer Joseph II nieuw leven ingeblazen. Het had toen het karakter van een massakolonisatie. Het voornaamste doel was de verdere cultivering van de landbouwgrond en vergroting van de productie. Tijdens deze 3e emigratiegolf vestigden de nieuwe kolonisten zich veelal in gebieden die nog niet door “oude” kolonisten waren bezet. Er vond daardoor een sterke bevolkingsgroei plaats in de Batschka laagvlakte nabij de Donau in plaatsen als Palanka en Besda in 1786. De meeste kolonisten arriveerden in de Batschka regio in de jaren 1785/1786.  Tussen 1784 en 1788 vestigden zich 3088 Duitse families in dit gebied. In deze derde kolonisatieperiode onder Keizer Joseph II werden ook dorpen als Brestowatz en Miletitsch (1786) zuiver Duitse plaatsen.

 

 

  

II. Peter Hiel emigreert vanuit Lotharingen naar Batschka

 

Het was ene Peter (ook Johann Peter) Hiel die met zijn gezin rond 1770 vanuit Lotharingen met naar de Batschka regio vertrok. Zij waren onderdeel van de tweede golf van 75.000 Duitse kolonisten. De eerste groep van 15.000 Duitse emigratenten naar dit gebied was gedood in Turkse aanvallen of was gestorven door “burbonic” plaag. In de derde golf in het jaar 1785 emigreerde ook ene Adam Bouillon afkomstig uit Waldhouse met zijn vrouw Anna Marie Hiel en hun zoon Sebastien naar Banat.

 

Johann Peter Hiel was de zoon van Josef Mathias Hiel, geboren op 1 augustus 1689 te Walschbronn en overleden te Weiskirch op 8 april 1748 (elders 26 januari 1748 in Montbronn). Deze Josef Mathias huwde op 4 november 1716 te Walschbronn met Anna Maria Scherer die in 1693 was geboren, eveneens in Weiskirch en op 12 augustus 1763 aldaar overleed. 

 

Deze Josef Mathias Hiel was zoon van Friedrich Hiel, geboren te Walschbronn en gehuwd met Margaretha Horich, eveneens geboren te Walschbronn in 1675. (zie verder: descendants of Friedrich Hiel)

 

 

 

 

Uit het huwelijk van Josef Hiel en Anna Scherer werden minstens twee kinderen geboren.

Een dochter Anna Eva Hiel, geboren op 7 april 1719 in Waldhouse (parochie Walschbronn), overleden op 13 september 1765 in Gr. St. Nikolaus. Zij huwde op 5 oktober 1756 in Trulben, Lotharingen met Nikolaus Nägle (Naegele).

 

Daarnaast de eerder vermelde Johann Peter Hiel geboren op 25 februari 1724 in Weiskirch (Moselle, Lorraine). Hij huwde op 25 september 1752 met Ottilie Dorkel (ook Turcklin). Ottillie was geboren op 29 juli 1725 in Ormersviller en overleed op 13 mei 1790 in Filipowa. Uit dit huwelijk werden ondermeer twee zonen Josef (1757) en Christian Hiel (1765) geboren. 

 

Josef Hiel was in 1757 geboren in Lotharingen en overleed op 22 oktober 1830 in Brestowatz. In het nabijgelegen Filipowa, in de Batchka regio van Hongarije,  huwde hij op 9 september 1787 met Rosina Krewenka, geboren in Filipowa op 23 december 1770 en gestorven te Brestowatz op 16 maart 1845, bijna 75 jaar oud. Uit dit huwelijk werd op 4 september 1795 te Filipowa geboren Josef Hiel. Hij overleed te Brestowacz op 27 mei 1856, 60 jaar oud. Josef huwde op 16 januari 1815 te Brestowatz met Rosina Heinz, aldaar geboren op 20 augustus 1795 en overleden op 28 december 1846. (zie verder: descendants of Josef Hiel)

 

Christian Hiel was rond 1765 (?) geboren en overleed 2 oktober 1831 in Brestowatz, Batschka. Hij huwde ca 1801 in Brestowatz met Klara Scherer, geboren ca 1767 (?).

Uit dit huwelijk onder meer: 

a. Anna Hiel geboren ca 1800 (?) en overleden op april 1859 in Brestowatz. Zij huwde op 25 november 1817 in Berstowatz met Sebastian Milla, zoon van Franz Milla en Juliana Milla uit Filipowa, geboren 9 januari 1798 in Brestowatz en overleden 12 november 1856 in Brestowatz.

b. Franz Hiel geboren op 6 november 1804 in Brestowatz en aldaar overleden op 2 augustus 1849. Hij huwde 7 november 1826 in Brestowatz met Rosina Vogl, dochter van Michael Vogel en Eva Kupferschmidt, beide uit Filipowa, geboren op 1 februari 1807 in Brestowatz.

c. Theresia Hiel geboren op 30 november 1807 in Brestowatz en aldaar overleden op 4 augustus 1849. Zij huwde op 16 februari 1830 in Brestowatz met Emmerich-Heinrich Walzer, geboren 9 december 1806 in Brestowatz en aldaar overleden: 26 mei 1853 in Brestowatz

d. Josef Hiel geboren op 18 maart 1811 in Brestowatz en aldaar overleden op 6 september 1860 in Brestowatz. Josef huwde op 3 november 1829 in Brestowatz met Maria (Marianna) Werni, dochter van Andreas Werni en Maria Schach uit Filipowa, geboren: 8 september 1811 in Brestowatz en daar overleden: 14 april 1866.

 

III. Hielen in Filipowa/Brestowacz

 

Het leven in Filipowa

 

De eerste Hielen vestigden zich in het dorp Filipowa, een typisch Donau Schwabendorp, gelegen in de laagvlakte van de Donau in het Zuid Westen van Batschka. Dit dorp werd in 1762 gesticht en tegen 1763 in het kader van de herkolonisatie bevolkt met Duitse families. In het voorjaar van 1763 waren er al zo'n 20 nieuwe huizen gebouwd.

 

 

 

Wenen stond in deze dorpen tweeërlei vormen van huizen toe:

- een boerenwoning met keuken, “Stube”(kelder) en kamer

- een kleiner huis voor de “Handwerkers”, de zgn. Kleinhäuser

 

Pas tegen het einde van de derde grote emigratiegolf behoorden ook een voorraadkamer en stallen tot het ambtelijk voorziene woningplan. De huizen van de kolonisten werden letterlijk uit de grond gestampt. Voor het “Dachstuhl” werden veelal de karkassen van de niet meer gebruikte schepen, waarmee ze naar Batschka waren gevaren, gebruikt. Steppengras en “Schilfrohr” deden dienst als dakbedekking.

  

De huizen stonden langs een rechte lijn aan de straat. Ze waren veelal wit geverfd en hadden een schuin dak. In de woning was er een aantal aaneensluitende vertrekken. Aan de straatkant was er een woonkamer, terwijl de stallen voor de huisdieren aan de achterkant lagen. Een lange overdekte poort besloeg de hele lengte van het huis. Elk huis beschikte over een schutting rondom een binnenpleintje met druivenstruiken. De druiven werden gegeten of gebruikt voor het maken van wijn. Daarnaast stonden er perziken en abrikozenbomen. Bovendien zgn. moerbeibomen die een bloeiende zijdewormindustrie ondersteunde. In de tuinen groeiden de meloenen en tomaten goed op de vruchtbare grond van de Donauvallei. In de velden rondom het dorp werden voorts suikerbieten, “hempe”, tarwe, koren en alfalfa geteeld.

  

 

De bevolking van Filipowa groeide geleidelijk uit tot 75 Duitse gezinnen, verdeeld over 60 huizen. Volgens een document uit 1801 telde Filipowa in dat jaar 257 boeren en 15 “cotters”in 272 huizen. Een eeuw later, tegen 1900 woonden er 3593 mensen in 535 huizen waarvan 3478 Duitsers en 3550 Rooms Katholieken.

 

 

Brestowatz (Szilberek)

 

De meeste Hielen woonden echter in Brestowatz, het huidige Szilberek, gelegen in het district Apatin, tussen Dorosló en Vepröd, zo'n 10 kilometer van Filipowa. Haar oorspronkelijke naam Brestowatz is afgeleid van de Slavische naam voor olm: brest. 

 

 

 

In 1743 werd Brestowatz door de Bacs County geannexeerd en in 1746 werd het een dorp speciaal voor de nieuwe kolonisten. De groei van het dorp vond met name plaats tijdens de derde emigratiegolf. In 1786 werden in 150 nieuw gebouwde woningen overwegend Duitse en Franse katholieke emigranten ondergebracht. Nog heel lang werd in dit dorp  Frans gesproken. Hoewel de Rooms Katholieke parochie al in 1787 werd opgericht, werd er pas in 1818 een eigen kerk gebouwd.

 

In het jaar 1834 werd er een “gemengde coöperatie” gevestigd. In die tijd kon slechts iemand met een “meestertitel” een eigen zaak hebben en tot die groep behoren. Op die manier was het mogelijk actief te zijn in meerdere coöperaties van smeden, slotenmakers, kopersmeden, wielmakers, schoenmakers, glazenmakers, kleermakers, schilders, bondwevers etc.  Aan het begin van de 20e eeuw beschikte Brestowatz over een eminente industrie.

 

Van de in totaal bijna 5400 inwoners in het jaar 1900 spraken er 4356 Duits, 750 Servies en 260 Hongaars. Hiervan waren er bovendien 4560 Rooms Katholiek.

 

 

Hielen in andere dorpen in Batschka

 

Miletitsch

 

Daarnaast treffen we ook Hielen aan in Apatin, Batsch, Hodschag, Miletitsch en Palanka.

De eerste Duitsers in Miletitsch werden nog in de parochieregisters van Hodschag opgenomen. Pas in 1784 werden ze ook als Miletitschers aangemerkt. De eigenlijke emigratie van Duitsers en vestiging in Miletitsch begon eigenblijk pas vanaf 1786.

 

 

 

Het grootste deel van de kolonisten in dat dorp kwam uit het Zwarte Woud, een kleiner deel uit de Pfalz en Nordbaden en enkelen uit Lotharingen en het Saarland. In zorgvuldige planning was de kolonisatie voorbereid. Vijftien huizen waren door de reeds aanwezige Duitsers van tevoren in elkaar gezet en een vijftal was in aanbouw. De resterende 20 werden nog in de zomer van 1786 voltooid en konden betrokken worden. In 1786 werden er in 100 nieuw gebouwde woningen Duitse kolonisten ondergebracht. Daarmee telde Miletitsch 2379 inwoners. De Duitse bevolking in Miletitsch vermeerderde zich in rap tempo. In 1820 telde het dorp al bijna 1900 inwoners en in 1836 al ruim 2200.

 

  

Palanka

 

Palanka ligt in het Zuiden van de Batschka regio, aan de oevers van de Donau. Wanneer de Duitsers naar Palanka kwamen is niet exact bekend. In het jaar 1763 besloot men in de buurt van Oud-Palanka nieuwe dorpen te creëren. Het is vanaf dat moment dat reeds in Oud-Palanka verblijvende Duitse kolonisten daarheen trokken. In het jaar 1764 begon ook de door het Habsburgse Rijk georganiseerde kolonisatie van Nieuw Palanka met kolonisten uit het hele Rijk.

 

 

 

 

De eerste kolonisten die zich in Palanka vestigden kwamen hoofdzakelijk uit het Zuidwesten van Duitsland. Er waren echter ook emigranten uit andere regios zoals Lotharingen en Frankrijk. In 1765 woonden er op z'n minst 90 Duitse gezinnen in Palanka. Dat aantal groeide uit tot 130 in 1778. In Deutsch Palanka werd onder Keizer Josef II in 1786 200 nieuwe huizen gebouwd uitsluitend bestemd voor Duitse emigranten. Daarmee telde het dorp 1771 inwoners. Het dorp ontwikkelde zich, naast landbouwgebied, al snel tot een dorp met handel, commercie en als plaats van het handeldrijven.

 

 

IV. Diaspora

 

Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw vertrekken in golfbewegingen de Donau Schwaben echter weer uit de Batschka regio, waaronder ook Hielen. Het begon al na de revolutie van 1848/49 toen Batschka bij het Servische Wojwodschigl kwam en na de vorming van de Oostenrijks-Habsburgse dubbelmonarchie in 1867 toen het gebied als Komitat Bacs-Bodrog bij Hongarije kwam.

 

Met een wet in 1904 probeerde de Hongaarse regering deze emigratiegolf met name richting Amerika in te dammen. Staatsburgers mochten nog slechts vanaf Fiume,(destijds Hongaarse haven aan de Adriatische kust '“ nu Rijeka, behorend tot Kroatië) inschepen en wie naar de VS wilde emigreren moest met Canard varen, naar de haven van New York (Ellis Island).

 

Een tweede emigratiegolf volgde na de Eerste Wereldoorlog toen Batschka en daarmee dit Duitse kolonisatiegebied in twee delen werd gesplitst: 5/6 kwam bij Joegoslavië en de resterende 1/6 blijf bij Hongarije.

 

De laatste en definitieve emigratiegolf vond plaats na Wereldoorlog II. Voor het uitbreken van WO II vormden de Donau Schwaben met ruim 1.5 miljoen mensen de grootste bevolkingsgroep in Zuid Oost Europa.  Batschka nam hiervan zo'n 200 duizend voor haar rekening. Vlucht voor repressie, verdrijving uit hun woongebieden en onteigening zorgden ervoor dat de Donau Schwaben massaal wegtrokken en zich wereldwijd gingen verspreide. Voornaamste gebieden waren Duitsland, Oostenrijk en de VS.

 

 

Definitieve verdrijving van de Donau Schwaben

 

Toen in 1944 de militaire nederlaag van Duitsland en haar bondgenoten steeds duidelijker werd en het Oostelijk front steeds dichter kwam bij de Batschka regio stonden de inwoners voor een belangrijke beslissing: vluchten of blijven. De meeste mensen uit bijvoorbeeld Palanka besloten te vluchten. Degenen die bleven kregen het onmenselijk zwaar.  In het begin werden mannen opgepakt en vermoord, doodgeschoten etc. door de Partizanen onder Tito. Midden 1944 pakten de Partizanen de overgebleven mannen op en stopte ze in het concentratiekamp Neusatz. Vrouwen, kinderen en oudere mannen bleven achter. 

 

Op 29 november van dat jaar werden ook zij uit hun huizen gedreven. Sommigen kregen slechts een kwartier de tijd om wat kleren en proviand te pakken. Ze moesten de eerste nacht in de open lucht, in de regen doorbrengen. De volgende dag  werden de zieken en lichamelijk gehandicapten op wagens geladen en vervoerd naar Paschitschewo, zo'n 60 km van Palanka. De overigen moesten deze afstand helemaal te voet afleggen.

 

In Paschitschewo werden de mensen geselecteerd. Degenen die niet konden werken '“ ouderen, zieken en kinderen '“ werden getransporteerd speciale kampen zoals Jarek of Gakova waar gemiddeld zo'n 17 duizend mensen zaten opgesloten. Degenen die wel konden werken werden gedwongen arbeid te verrichten in verschillende kampen.

 

Eind december 1944 startten de Russen een deportatiegolf in de Batschka regio. In alle Duitse steden en dorpen waar de Duitse bevolking nog niet in concentratiekampen was ondergebracht, werden de Duitse meisjes en vrouwen tot de leeftijd van 35 jaar gearresteerd en naar Rusland gestuurd waar ze gedwongen werden tot zwaar werk. Reeds in augustus van het volgende jaar 1945 woonden in de voorheen Duitse dorpen geen enkele oorspronkelijke Duitser meer. Pas na meer dan 4 jaar werden de eerste van hen toestemming gegeven om terug naar het Westen te gaan.

 

 

 

 In de lente van 1946 werd het kamp Jarek opgeheven. De overlevenden werden gestuurd naar de kampen Gakowa en Kruschiwl. In de centrale “extermination” kampen waartoe Jarek, Gakowa en Kurschiwl behoorden, stierven bijna 38 duizend Duitsers '“ oudere mensen, kinderen en moeders met baby's. De meeste aan ziekte, uitputting, kou en ondervoeding. Het moeilijkst was in de winter van 1946. Vier dagen voor kerstnacht was er geen voedsel meer en zijn velen massaal gestorven. Daaronder ook heel wat Hielen.

 

De mensen uit Batschka die de oorlog hadden overleefd werden naar alle delen van de wereld verdreven. Een groot deel ging naar Oostenrijk en Duitsland. Velen gingen echter naar Amerika. De voornaamste bestemming van de emigranten van Palanka werd Trenton, New jersey (zie Emigration to America).